Op de tast
OP DE TAST
De originele tekst "Op de Tast" is een (oude) uitgave van de Ver. Het Nederlandse Blindenwezen
.
Op de tast
Eens konden wij mensen de tijd vinden om verhalen, sagen, overleveringen, mededelingen en berichten mondeling aan elkaar door te geven.
Eens, maar dat is al lang geleden. Intussen is het onvoorstelbaar om niet te kunnen lezen of schrijven. In onze tijd en ons werelddeel, met zijn schrijfmachines en computers, met zijn boeken, kranten, reclameboodschappen en wat dies meer zij, is een probleem als analfabetisme bijvoorbeeld een zaak die tamelijk ver van ons ligt. Wij weten de weg in een radiogids of spoorboekje. Wij kunnen deze brochure lezen, maar dan toch alleen omdat zij aan onze eisen voldoet.
Enige tijd geleden alweer bezocht een blinde man vergezeld van zijn secretaresse tijdens een zakenreis Moskou. Sterk geïnteresseerd geraakt in de Russische hoofdstad door allerlei verhalen en goede raadgevingen, had hij zich voorgenomen enige tijd uit te trekken voor een bezichtiging van deze imposante en vooral historisch waardevolle stad. Na een drietal dagen van ingespannen vergaderen begaf het tweetal zich op weg. Martine was een uiterst kostenbewuste secretaresse, maar weigerde niettemin in te gaan op het voorstel van haar werkgever om het uitstapje te maken via het uitgebreide metronet en de stellig niet minder goed georganiseerde, maar vooral goedkope, autobusdiensten. Ze spreidde een onverwachte voorkeur voor taxi's ten toon. De zakenman, verwonderd en niet begrijpend, vroeg haar naar de reden van deze niet bij haar passende spilzucht.
Het antwoord, even simpel als duidelijk: "Voor mij is het Russische schrift onleesbaar, en met de beste wil van de wereld zou ik niet te weten kunnen komen waar we beland waren".
Het leek zo eenvoudig en goedkoop om gebruik makend van het openbaar vervoer het indrukwekkende Moskou te verkennen; maar als de schrijfwijze van anderen niet dezelfde is als die waarmee wij vertrouwd zijn, wordt het schrift voor ons onleesbaar, zelfs al beheersen we de gesproken taal. Talloze voorbeelden van van ons systeem afwijkende lettertekens en schrijfwijzen zouden zijn aan te geven. Nu bestaan er groepen mensen, die zelfs in hun omgeving normaal schrift niet kunnen lezen omdat ze geheel of in ernstige mate het gezichtsvermogen moeten missen. En toch is ook voor hen belangrijk om aantekeningen te kunnen maken en die ook weer terug te kunnen lezen, om nog maar niet te spreken over het lezen van boeken, tijdschriften, studielectuur en dergelijke. Reeds sinds vele eeuwen proberen de blinde en ernstig slechtziende mensen woorden, begrippen en letters zodanig weer te geven dat ze kunnen worden teruggelezen.
De geschiedenis van de ontwikkeling van het blindenschrift omvat ongeveer 3 eeuwen. De oudste berichten stammen uit de periode van de verovering van Peru door de Spanjaarden. Zij vonden op hun tochten grote hoeveelheden wollen snoeren van verschillende kleur, breedte en lengte. Aan deze snoeren waren kortere koorden vastgeknoopt en daarin waren weer knopen van verschillende soort en grootte gelegd.
Het aantal, de grootte en de afstand van de knopen ten opzichte van elkaar vormden een bijzondere betekenis. Zelfs het kleurverschil van de snoeren had een functie, doordat de verfstoffen verschillend aanvoelden op het materiaal. Met dit stelsel, quippu's genoemd, konden óók blinden, voor zover mogelijk, lezen.
In Europa werd vaak gebruik gemaakt van houten tekens. Zo ontwierp Jacob Bernoulli in het jaar 1676 een geheel eigen blindenschrift. Hij sneed met zijn mes in houten staafjes tekens voor woorden, die hij dan later herkende en kon teruglezen. Zo gelukte het hem boeken uit te snijden en hij stelde op die manier een eigen bibliotheek samen.
De Duitser Withelm Friedrich Daniel ontwierp een soort verkortingsschrift, het kanonschrift, waarbij woorden door bepaalde tekens werden voorgesteld. Deze tekens werden uit sterk kanon gesneden en op papier geplakt en vormden op deze wijze woorden en zinnen.
In de praktijk bleek zijn methode te ingewikkeld. Belangrijk was daarom ook de uitvinding van het zogenaamde koordalfabet rond 1800, dat met name in Engeland en Schotland gebruikt werd. Dit koordalfabet werd gevormd door knopen te leggen in een eindje touw of snoer, zodat er oneffenheden ontstonden, die door omvang, ligging of stand van de knopen de elementen van de taal uitmaakten.
Nog heden ten dage gebruikt men in Groot Brittannië naast het inmiddels gebruikelijke brailleschrift een gestyleerd reliëflettersysteem, het Moonschrift. Dit schrift ontleent zijn naam aan William Moon, die in 1847 hoofdzakelijk voor eigen gebruik een reliëfalfabet ontwierp. Hij was namelijk zelf blind.
Ook in Frankrijk werd veel geëxperimenteerd met blindenschrift. Aanvankelijk trachtte men de blinde mens het alfabet van de zienden aan te leren. Het schrijven werd onderwezen door de blinde leerling de diep in hout uitgesneden lettertekens te laten aftasten en met een stift te laten tekenen. Er werd daarbij gebruik gemaakt van een lijst die het papier vasthield en de hand enigszins leidde. Hierbij is duidelijk dat de gebruiker zijn eigen schrift niet kon teruglezen.
In andere experimenten werd gebruik gemaakt van een hoog‑ en laagreliëfalfabet dat door de blinde altijd kon worden herlezen. Ondermeer met behulp van spelden werden de letters op papier vastgeprikt en werden daardoor duidelijk voelbaar op de keerzijde van het papier. Omstreeks 1820 werd er een toestelletje uitgevonden, waarbij de spelden werden vervangen door puntige metalen staafjes. Op deze manier konden op het papier fijne punten te voorschijn worden gebracht, die weer letters vormden. Het was rond 1825 dat Louis Braille een code ontwikkelde voor het blindenschrift waardoor onderlinge correspondentie werd mogelijk gemaakt. Ook werd het mogelijk gemaakt om eigen gedachten op te schrijven en zich te verdiepen in de wereld van kennis, muziek, enz.
Louis Braille werd op 4 januari 1809 in Coupvray, een dorpje onder de rook van Parijs, geboren. Hij was de zoon van Simon René Braille en Monique Baron. Louis' vader leefde, voor die tijd, in betrekkelijke welstand. Hij was zadelmaker van beroep en bezat enige landerijen.
Het snijden van figuurtjes is wellicht voor alle kinderen een vanzelfsprekende liefhebberij. Zo ook voor de jonge Braille. Helaas werd deze liefhebberij hem noodlottig, doordat het bijzijnspel gebruikte vlijmscherpe mes een van zijn ogen verwondde. In het begin van de 19de eeuw lieten de medische voorzieningen, althans in vergelijking tot nu, nogal te wensen over. Er trad een ontsteking op, die na korte tijd ook het andere nog gezonde oog aantastte. Dit leidde in een proces van enkele jaren tot volledige blindheid.
Aanvankelijk bezocht Louis Braille de dorpsschool van Coupvray, ofschoon daar natuurlijk geen aangepast onderwijs werd gegeven voor blinde kinderen. Zijn leergierigheid en intelligentie dreven de ouders ertoe, daarin gesteund door het hoofd van de school, Louis naar het Koninklijk Blindeninstituut in Parijs te sturen, waar hij bekend raakte met de verschillende mogelijkheden van de toen gebruikelijke manieren om te lezen en te schrijven. De gevolgde methoden waren nogal ingewikkeld en hadden vooral als nadeel dat het nodige schrift noch door de blinde zelf kon worden geproduceerd, noch gemakkelijk te lezen was. Het aftasten van reliëfafbeeldíngen van letters uit het "normale" schrift vraagt veel tijd. Zoals anderen ook voor hem reeds geprobeerd hadden, trachtte Louis een schrijfwijze te ontwikkelen, die voldeed aan: 1. Gemakkelijk zelf te produceren; 2. Gemakkelijk en snel leesbaar.
Een Franse legerkapitein Charles Barbier de la Serre genaamd, had een codesysteem ontwikkeld dat gebaseerd was op een systeem van aftastbare punten en streepjes. Deze man heeft Louis Braille geïnspireerd bij het ontwerpen van de uiteindelijke versie van het blindenschrift. De basis van een brailleletter wordt gevormd door 6 punten, 2 rijen van 3 punten onder elkaar, zoals de 6 van een dominoof dobbelsteen. Daaruit kunnen alle letters, leestekens en cijfers gevormd worden. Opmerkelijk genoeg heeft het brailleschrift in meer dan anderhalve eeuw weinig of geen wijzigingen ondergaan. Toch verzette de leiding van het Koninklijk Blindeninstituut in Parijs, waar Louis Braille inmiddels leraar geworden was, zich tegen de invoering van het voor dat moment revolutionaire idee. Pas in 1873 verscheen het eerste brailleboek, een zwaarwichtig document, getiteld: "De geschiedenis van het Franse volk". In 1850, kort voor de dood van Louis Braille, kreeg hij de eer die hem toekwam en werd zijn schrift officieel ingevoerd op het Parijse Koninklijk Instituut voor Jeugdige Blinden.
Als musicus, Louis Braille was een uitstekend organist, bleek hem ook de behoefte aan muzieknotatie. Grote delen van zijn systeem kon hij ook daarvoor gebruiken. Heden ten dage is het mogelijk om binnen 64 combinaties die gemaakt kunnen worden uit de 6 puntjes, zowel teksten als rekenkundige, wiskundige, natuurkundige en andere formules uit te schrijven.
Het brailleschrift kan met een pen in spiegelschrift in papier of plasticfolie worden geprikt, door gebruik te maken van een speciale schrijflei. In deze moderne tijd wordt veelal gekozen voor een brailleschrijfmachine waardoor vooral grotere stukken tekst aanzienlijk gemakkelijker door de blinde zelf kunnen worden geproduceerd.
Het lezen van brailleschrift vereist de beschikbaarheid van een redelijke tot goede tastzin. Er zijn mensen die daarover niet beschikken en helaas zal dat voor hen grote moeilijkheden opleveren bij het aanleren van dit unieke schrift.
Het brailleschrift werd in Nederland ingevoerd in 1859 bij de opening van het R.K. instituut voor Blinde Jongens "St. Henricus" te Grave, zij het niet uitsluitend en niet zonder aanvankelijke aarzeling bij de toepassing. In 1865 werd de eerste Nederlandse brailledrukkerij in gebruik gesteld. Op het Instituut tot Onderwijs van Blinden, destijds te Amsterdam, werd het brailleschrift in 1891 ingevoerd.
Intussen is het brailleschrift in ons land voor hen die er belang bij hebben bijna gemeengoed geworden. Vier blindenbibliotheken verspreiden op uitleenbasis duizenden brailleboeken per jaar. Ook tijdschriften van zeer uiteenlopende aard kunnen door deze bibliotheken op de juiste wijze worden verzorgd. Studeren, zomaar lezen als vrijetijdsbesteding, onderling corresponderen, allemaal mogelijk; Op de tast.



